Kinetisch kunstenaar Zoro Feigl wil oergevoelens oproepen. Om dat voor elkaar te krijgen, is techniek onontbeerlijk, zo wordt duidelijk op de tentoonstelling Zonvonkengesproei in Stedelijk Museum Schiedam.

 

Op een sokkel middenin de gang, van dichtbij beschenen door een spotje, ligt een slordige prop ruitjespapier. Een achteloos weggeworpen overblijfsel van een mislukte rekensom? Bij nadere beschouwing blijkt het propje te zweven, lichtjes te dansen haast, alsof het wordt verleid door een zomerbriesje. Voor je het weet sta je er minuten­lang naar te kijken.

Twee vragen strijden om voorrang. De eerste: hoe kan zoiets simpels zo betoverend mooi zijn? De tweede: hoe heeft de kunstenaar dit in vredesnaam voor elkaar gekregen?
 

Het werk Fosfenen roept bij de kijkers de vraag op: bevind ik mij onder een fonkelende sterrenhemel of midden in een gigantische zwerm vuurvliegjes?


Kinetische werken

Die kunstenaar is Zoro Feigl (Amsterdam, 1983). Al jaren maakt hij naam met kinetische werken waarin techniek een hoofdrol speelt; in 2018 ontving hij daarvoor de eervolle Kunst+Techniek-prijs van ingenieursbureau Witteveen+Bos.

Sommige van zijn werken bevinden zich in de publieke ruimte, zoals Echo: een samenspel van vier kolossale ringen die van motortjes zijn voorzien en elk volledig vrij kunnen bewegen. Op de binnenste van de ringen, circa tien meter in doorsnee, is een glanzend doek gespannen, dat voortdurend omklapt. Het kunstwerk hangt sinds 2017 op veertig meter hoogte in het atrium van het overheidsgebouw in de Haagse binnenstad waar onder meer het ministerie van Buitenlandse Zaken is gevestigd.

Bij de installatie waren verschillende ingenieurs van onder meer bureau ­Movares betrokken, zowel bouwkundigen als elektrotechnici. Niettemin besloot Feigl ook zelf z’n hoog­werkersdiploma te behalen, om maar zo betrokken ­mogelijk te blijven tot het bevestigen van de ringen aan toe.

Dat laatste zou hij nu niet meer doen. ‘Dat laat ik een volgende keer graag over aan specialisten. Voor mij draait alles om het mooie beeld. De ontdekkingsreis daar naartoe is voor mij interessanter dan de schroeven er daadwerkelijk indraaien.’


Compromisloze omgeving

Wie die ontdekkingsreis wil meemaken kan tot en met 11 september terecht in het Stedelijk Museum Schiedam, dat een solotentoonstelling wijdt aan het werk van Feigl. Op het propje papier na is elk van de tentoongestelde werken omvangrijk: één per tentoonstellingszaal.

Met zeven werken is een complete museumvleugel volledig voorzien. De meeste werken zijn nog niet eerder te zien geweest. Feigl maakte ze speciaal voor de tentoonstelling, die door corona en een langdurige museumrenovatie een veel langere aanlooptijd kende dan gepland. 
 

Jonge bezoekers dansen op het werk De Grondslag, een vloer die meebeweegt met degenen die erop lopen. 

Voor Feigl was het een nieuwe ervaring: specifiek voor een museumexpositie aan de slag gaan. Zijn werk is meestal te zien op industriële plekken. Een oud fabrieks­terrein of ander industrieel erfgoed bijvoorbeeld. Feigl ervaart het museale solodebuut niet alleen als een blijk van kunsthistorische erkenning, maar is vooral blij met de kansen die de klassieke museumzalen hem bieden. ‘Het zijn volledig cleane ruimten, vers opgeleverd, nog blanco. Een compromisloze omgeving. Heerlijk om daarin te werken.’

De leegte van de ruimte confronteerde de kunstenaar ook met zichzelf. ‘Voorheen brak ik me vooral het hoofd over de vraag wat voor werk er in een bepaalde ruimte past. Doordat die ruimtelijke beperkingen er nu niet waren, kon ik me afvragen: wat wil ik eigenlijk vertellen?’

 

Lezershulp gevraagd!
Gooi je een vouwvliegtuigje de lucht in, dan zal het misschien even zweven, maar vervolgens glijdt het snel naar beneden. Houd je er een plank onder en maak je hiermee een golf in de luchtstroom, dan kun je het vliegtuigje als het ware laten surfen op de golven. ‘In theorie kun je een papieren vliegtuigje zo eeuwig in de lucht houden’, zegt Feigl.

Om die theorie in de praktijk te brengen, bouwt Feigl nu een robotarm met een bereik van zes meter. Het idee is aan die arm zo’n luchtgolf-plank te bevestigen. Door die plank voortdurend en autonoom te manipuleren, moet de robot in staat zijn een vliegtuigje in de lucht te houden, vermoedt Feigl. De praktijk blijkt echter weerbarstig. ‘Het is alsof ik een zelfrijdende auto aan het bouwen ben. De algoritmische kant van het project is erg complex en daarnaast zoek ik nog specialisten op het gebied van lucht- en ruimtevaart’, zegt Feigl. Inmiddels denken mensen van de TU Delft en de UTwente mee, maar hulp van lezers met kennis van zaken is welkom. Aanmelden kan via redactie@ingenieur.nl.

 

Natuurervaringen

Het antwoord op die vraag ligt verscholen in een zestal grote werken. De reusachtige, ronde teil waarin de bodemplaat gestaag draait en zo het water in de rondte stuwt: een draaikolk waaruit geen water kan ver­dwijnen. Die kamervullende tegelvloer die op drijfzand lijkt te zijn gelegd: wie eroverheen wandelt, waant zich op zacht verend hoogveen. Of die donkere kamer met in het midden een ademende berg glinstersteentjes in strak schijnwerperlicht: een fonkelende sterrenwereld of zien we toch vuurvliegjes?

‘Voor mij is een werk het meest geslaagd wanneer het een basale ervaardrift oproept’, zegt Feigl. ‘Het gaat me steeds om dat oergevoel dat iedereen herkent: een kampvuur bij stromend water, een mooie wolkenlucht, een zwerm spreeuwen. Maar paradoxaal genoeg vereist het een hoop techniek om zo’n overweldigende natuur­ervaring te creëren.’

Techniek speelt in het werk van Feigl dan ook altijd een grote rol. Met een hoop machinerie bouwt hij in plastic of andere op zichzelf waardeloze materialen exact die ervaring na, die je ook zou kunnen krijgen door naar het strand te gaan, of in het gras te gaan liggen en naar boven te kijken. Dat lijkt misschien gek, erkent de kunstenaar. ‘Ik vind het prima als mensen het liever “in het wild” observeren, maar ik wil het zelf maken, ik wil me de schepper van dat oergevoel kunnen voelen. Om die ervaring uit de wereld te kunnen isoleren en misschien wel te sublimeren, moet ik zelf de controle in handen nemen, er een soort regisseur van worden.’



Uitgebreide research

Feigl gaat altijd eerst zelf aan de slag, om het idee dat hij in zijn hoofd heeft te realiseren. ‘Dat moet ik toch wel kunnen, denk ik meestal’, zegt hij. ‘Maar dan komt vaak het moment waarop ik tegen de grens van mijn eigen vaardigheden aanloop.’

Dan begint het rondvragen bij experts, veelal geschoolde ingenieurs. ‘Dat contact met vak­idioten biedt mij interessante leermomenten. Ik heb dan zelf altijd al uitgebreide research gedaan en heb een idee hoe dingen zouden werken. Dan zijn het de experts die me laten zien dat processen in de echte wereld toch heel anders, vaak complexer verlopen dan ik hoopte.’

Dat is dan even slikken, maar uiteindelijk wordt het werk er beter van. ‘Soms ontdek ik hierdoor lagen in het werk die ik nog niet had gezien. Juist die praktische complexiteit biedt nieuwe wegen.’


4.381 kogeltjes

Het werkt ook de andere kant op. ‘Soms zeggen de ingenieurs dat ik het onmogelijke wil. Maar dan kan ik ze een prototype laten zien dat weliswaar gammel is, maar wel werkt. Uiteindelijk komt er dan toch iets goeds uit.’

In een van de zalen in het Stedelijk Museum Schiedam is intussen een bezoeker op de grond gaan liggen. Boven haar hangt een strakgespannen, rond doek, zo breed als de zaal. Elektromotoren aan het plafond laten het geheel heel langzaam kantelen. Op het doek bewegen 4.381 kogeltjes heen en weer: soms langzaam, dan weer snel, altijd onvoorspelbaar. Het oergevoel van een vlucht spreeuwen, maar dan in een zaaltje van een museum­gebouw in het centrum van Schiedam. 

Het heeft Feigl maanden geduurd om het type balletje te vinden waarbij de balans precies goed uitvalt. Pingpongballetjes bleken te weinig gewicht in de schaal te leggen om als een zwerm te kunnen bewegen, kogellagers bleken juist zo zwaar dat ze niet van elkaar los kwamen. 
 

Kunstenaar Zoro Feigl (links) en curator Ellis Kat bij de installatie Zwermen. Balletjes bovenop het strakgespannen, kantelende doek bewegen zich als een spreeeuwenzwerm.


Betoverend

‘Ik schiet soms middenin de nacht wakker met een idee’, zegt Feigl, ‘en dan ga ik dat meteen uitwerken. Een vraagstuk dat me maanden heeft beziggehouden, kan dan zomaar ineens zijn opgelost. Al komt het vaker voor dat ik twee uur later onverrichterzake mijn bed maar weer opzoek.’

De bezoeker, ze ligt nog altijd languit op de grond, ver­wondert zich intussen over het spreeuwenballet boven haar hoofd. Het kan bijna niet anders of ze vraagt zich twee dingen af: hoe heeft de kunstenaar dit voor elkaar gekregen, en hoe kan zoiets simpels zo betoverend mooi zijn?  


Foto's: Aad Hoogendoorn

Dit verhaal verscheen eerder in het julinummer van De Ingenieur.
 

Vond je dit een interessant artikel, abonneer je dan gratis op onze wekelijkse nieuwsbrief.